De Moestuin

Hoe te beginnen?
Je kunt het best niet te groot beginnen. Als het je in het eerste jaar meteen boven het hoofd groeit, doe je het misschien nooit weer. Maar als het je bevalt, kun je je moestuin elk jaar een beetje groter maken, totdat je de oppervlakte hebt die je bij je past. Om een seizoen lang voldoende groente te kunnen oogsten is 50 m2 per persoon een goed uitgangpunt. Je kunt dat dus vermenigvuldigen met het aantal mensen van je huishouden of vriendenkring waar je de opbrengst mee wilt delen. Maar als je nog nooit een moestuin hebt gehad zou ik eerst niet groter gaan dan 100 m2.

Waar?
Als je gebruik gaat maken van een tuin op een volkstuincomplex, zul je vermoedelijk al goed bewerkte grond aantreffen. Wel is het dan goed om eens te informeren wie er voor je op die grond heeft geteeld. Als de persoon in kwestie niet meer te bereiken is, zullen je buren op de volkstuin er graag over vertellen. Doorgaans houdt men elkaar daar goed in de gaten. Vraag vooral even naar de mate waarin je voorganger bemestte en of hij of zij gif gebruikte. Beide wordt op sommige volkstuincomplexen erg overvloedig gebruikt!

De eerste bewerking
Eenmaal de plaats bepaald, moet je de grond gaan bewerken. Je zult moeten gaan spitten. Ook als je later een ander manier van tuinieren wilt gaan toepassen (mulchen of permacultuur), doe je er goed aan het eerste jaar te spitten of een andere grondige bewerking toe te passen. Ligt de grond al klaar, zonder dat er een dikke graszode op groeit, dan kun je volstaan met eenvoudig spitten (zie onder). Meestal verdient het de aanbeveling een beetje kalk aan de grond toe te voegen voor het stimuleren van het bodemleven. Kalk voor de tuin kun je het best kopen in korrelvorm (verwar dat niet met kunstmest, wat vaak uitsluitend bestaat uit stikstof).

Je tuin machinaal laten bewerken is ook een optie, zij het natuurlijk een dure. Maar voor het eerste jaar kun je het overwegen. Wil je geen zware trekker op je terrein hebben (en dat raad ik je ook sterk af), dan blijft eigenlijk alleen frezen met een tuinbouwfrees over. Soms kan er ook een klein enkelscharig ploegje achter, maar die ploegt dan waarschijnlijk niet diep genoeg. Frezen hakselt de grond en dus ook het onkruid of gras dat er op groeit. Als je al maandenlang je tuin hebt afgedekt met folie is dat inderdaad mogelijk. Je gras of onkruid is dan dood en met intensief schoffelen hou je je grond dan redelijk schoon het eerste jaar.

Bemesting voor het eerste jaar
De mate van bemesting van je tuin voor het eerste jaar is sterk afhankelijk van de grondsoort en het gebruik ervoor. Je zou eens moeten informeren bij boeren of andere tuinliefhebbers in de buurt wat hun ervaring is met de grond. Je kunt natuurlijk ook altijd een grondmonster laten doen en een bemestingsadvies aanvragen, maar dat kost nogal een paar centen. In principe kun je er vanuit gaan dat voor het eerste jaar je eigen ondergespitte graszode meer dan voldoende is. Je moet dan zeker kalk toevoegen aan de grond, want die help het bodemleven een handje bij het omzetten van het organisch materiaal. Is de grond erg arm dan kun je oude stalmest met stro of compost onderspitten. De stalmest moet minimaal een jaar oud zijn (als het gaat om paardemest), maar liever nog ouder (zeker als het koeiemest is). Ook in dit geval na het spitten een beetje kalk toevoegen aan de grond.

In de latere jaren van je tuin zul je gaandeweg zelf het gevoel moeten ontwikkelen wat je tuin nodig heeft en hoe jij het liefs tuiniert. Als je veel mulcht met compost (dat is een dikke laag compost op de grond strooien), zul je niet veel meer hoeven te bemesten. Maar niet elke grondsoort is daarvoor geschikt. Om de totale mineralenbalans weer te herstellen in je tuin is het wel goed om nu en dan je tuin te bemesten met gedroogd zeewier. Verderop, bij de wisselbouw zullen we daar nog op terugkomen.

Spitten
Spitten is de toplaag van je tuin omkeren. Sommige mensen menen dat dat een onnatuurlijk proces is en dat je beter de grond onaangeroerd kunt laten (zie permacultuur en mulchen). Voor sommige gewassen is dat ook terecht. Toch zijn de meeste groenten afstammelingen van wilde soorten die in verstoringmilieus groeien: de wilde kool aan de kust, een plek die voortdurend in beweging is, veel gewassen van berghellingen, waar ook altijd beweging en verstoring is… Spitten is dus helemaal niet zo onnatuurlijk als het lijkt.

Hoe diep je moet spitten is afhankelijk van je toplaag (een graszode of een klein beetje los onkruid) en van je onderlaag (als er een vaste storende laag in de grond zit, zal je tuin altijd nat blijven en dus veel last hebben van schimmelziekten). In de meeste gevallen is het voldoende voor de eerste keer als je anderhalve steek diep spit: je graaft eerst een ´voor´ waarvan je de grond apart legt of brengt naar het einde van je tuin. De zode van die eerste voor leg je even apart. Vervolgens steek je de zode los voor de volgende voor, diep genoeg om alle graswortels en onkruidwortels mee te nemen en die leg je omgekeerd in de voor. Vervolgens spit je daar nog één schopdiepte grond overheen. Veel dieper moet je zode ook niet liggen, omdat je anders geen profijt meer hebt van de voedingstoffen die er vrijkomen bij het verteren ervan. Als je aan het einde van het te spitten gedeelte komt leg je in de laatste voor de zode die je apart hebt gelegd van de eerste voor en vult die vervolgens met de grond daarvan.
Heb je echt een harde laag in de grond zitten, dan zul 2 steek diep en in sommige gevallen zelfs 3 steek diep moeten spitten. Toch komt dat maar zelden voor en je zult je dan ook moeten afvragen of je niet een betere plek kunt vinden voor je tuin. Het is goed om dan advies te vragen aan een ervaren tuinier.

Een teeltplan
En dan kun je aan de slag. Je tuin ligt er mooi gespit bij, zwarte, geurende maagdelijke grond. Je moet gaan zaaien en poten. Maar wat ga je verbouwen en waar moet je dat planten? Wat – dat is natuurlijk afhankelijk van wat je graag op je bord ziet – met die keuze kunnen we je niet helpen. Maar wat komt waar – dat is erg belangrijk: je moet een teeltplan maken.. En dat is niet alleen een plan voor het eerste jaar, maar je moet verder denken, je hoopt nog jaren plezier van je tuin te kunnen hebben. Je moet wisselteelt gaan toepassen.

Wisselteelt
Wisselteelt is belangrijk voor tal van gewassen. Aardappelen worden gevoelig voor aardappelmoeheid als ze vaker dan eens in de 4 jaar op dezelfde plek worden geteeld, kool wordt gevoelig voor knolvoet en voor tuinbonen kun je zelfs maar beter eens in de acht jaar hetzelfde stukje grond weer opzoeken. Daarom verdeel je de te telen groente in groepen en met die groepen loop van je van jaar tot jaar door je tuin heen. Traditioneel is een verdeling in 4 groepen. Dat is dan ook wel meteen het minimum, maar als je dat consequent toepast kan het ook voldoende zijn. Zeker als je binnen de groep ook nog enige variatie toepast. Je bonen en erwten (vlinderbloemigen) komen na vier jaar weer terug op dezelfde plek, maar als je de volgorde van de soorten dan omwisselt, staan je tuinbonen dus pas na 8 jaar weer op hetzelfde plekje.

De indeling van de groepen wordt bepaald door de gemeenschappelijke ziektegevoeligheid, door de verwantschap in mestbehoefte en in de mogelijkheden om ze in combinatieteelt te gebruiken (waarbij de vijand van de één wordt verjaagd door de geur van de ander). De traditionele vierendeling is (1) aardappelen en tomaten (is familie van elkaar), (2) blad-, wortel- en knolgewassen, (3) alle soorten koolgewassen en (4) peulvruchten: erwten en bonen (vlinderbloemigen). Wijk hier niet van af, ook niet door in de winter maar even boerenkool te zetten op het gedeelte waar je aardappelen had – vroeg of laat gaat het zich wreken!

Hiermee creëer je ook een goede bemestingsvolgorde in je tuin: de aardappelen en de kolen kunnen wel wat goedverteerde stalmest hebben en dus bemest je elk jaar twee van de vier delen van je tuin. De peulvruchten zijn allemaal vlinderbloemigen en voegen nog stikstof aan de grond toe – waar op hun beurt de aardappelen weer goed van gedijen. Voor een meer gedetailleerdere wisselteelt of voor een andere (in vijven of zelfs in zessen) verwijs ik je naar de boeken.
Vaste planten

Je zult misschien ook een plekje in je tuin willen reserveren voor vaste planten zoals rabarber, asperges of aardbeien. Je kunt dat het best buiten je veldjes voor wisselteelt houden. Je kunt er een rand van maken in je tuin of een cirkel in het midden van je tuin waar je de blokken voor wisselteelt omheen aanlegt.

Zaaien
Dan kun je gaan zaaien en poten. Als je zaad hebt gekocht staat op de achterkant van het zakje altijd de informatie over de zaaitijd, het eventuele uitplanten en de oogsttijd. Ook staat er vaak bij hoe diep je moet zaaien en op welke afstand. Om een beetje een planning te maken kun je de zaaikalender raadplegen. Dan weet je ook wanneer je welk gedeelte van de tuin zaaiklaar moet hebben. Om te zaaien maak je de grond goed los en fijn en vlak (met een hark). Doe dat niet eerder dan wanneer je gaat zaaien. Bij hevige regen slaat de grond snel dicht als je het heel fijn maakt en bij lange droogte gaat het stuiven. Beide zijn niet goed voor je grond.

Bij het zaaien moet je wel even blijven letten op het weer. Elk zaad heeft een bepaalde kiemtemperatuur. Als je weet dat de dagen na het zaaien van een bepaald gewas de temperatuur lager blijft dan de kiemtemperatuur, kun je beter even wachten op wat warmere dagen (overigens loop de temperatuur aan de grond snel op als de zon er even op schijnt, dus het valt ook nogal eens mee). Hetzelfde geldt natuurlijk voor de verwachting van zware regenval. Het zou makkelijk de lichte zaadjes wegspoelen en dan kiemen je gewassen in de randen van je paadjes…

Mensen die biologisch-dynamisch willen telen letten ook op de samenstand van zon, maan en sterren en onderscheiden: bladdagen, bloemdagen, worteldagen, etc. en stemmen daar ook het zaaien op af. Daar zijn elk jaar nieuwe zaaikalenders voor. Wie daarover meer wil weten, verwijs ik opnieuw naar de specifieke literatuur en sites daarover.

Onderhouden: wieden en schoffelen
Na het zaaien ga je het wonder meemaken van het kiemen en groeien van je gezaaide gewassen. Zelfs voor ervaren tuiniers is dat altijd weer een heerlijk moment. Je hebt je gewassen op een rij gezaaid en een paar dagen later zie je het rijtje zichtbaar worden met kleine groene blaadjes die de grond uitkomen. Geniet ervan!

Maar behalve het zaad dat je zelf hebt gezaaid zit er in de grond ook ongelofelijk veel zaad van grassen en andere planten die we in de moestuin zien als onkruid. Omdat je graag sla wilt oogsten en spruiten en worteltjes, zul je je gezaaide gewassen moeten beschermen ten overwoekering. Je zult gaan wieden en schoffelen. Wieden is het uittrekken van onkruid, met wortel en al, en schoffelen is het losmaken van een dunne bovenlaag van de grond tussen je gewassen. Schoffelen doe je tussen je gewassen, wieden dicht bij de gewassen, daar waar de schoffel ook je groente zou kunnen beschadigen.

Schoffelen oogt heel simpel en kan dat ook zijn – als je het goed doet. Schoffelen is niet de grond losmaken en dus diep steken (je kunt natuurlijk wel met een schoffel de grond losmaken, maar dat is wat anders). Je houdt het blad van je schoffel horizontaal en maakt een dun laagje grond van 1 a 2 cm los, zodat alles wat daarin kiemt en groeit, sterft en verdroogt. Je kunt dan ook je gewiede en losgeschoffelde onkruid laten liggen. Het sterft af en voedt de grond weer. Als het nu een hele lange tijd nat weer is, is het wel goed om het weg te harken, omdat het anders steeds weer wortel kan gaan schieten. Het dunne schoffellaagje dat je zo door herhaald schoffelen creëert beschermt de grond tegen onkruid en uitdroging. De stoflaag die hierdoor ontstaat onderbreekt de capillaire werking van de grond, zodat vocht van dieper uit de grond niet meer naar de oppervlakte wordt gezogen en verdampt.

Als je een keer het onkruid goed hebt aangepakt met wieden en schoffelen kun je ook gaan mulchen (zie verder). Ik raad je aan eerst wel te beginnen met schoffelen, omdat anders het onkruid door de compostlaag heen groeit en je alleen nog maar kunt wieden. Dan maak je je tuin veel arbeidsintensiever.


Uitplanten of uitdunnen
Veel gewassen moet je na het zaaien nog een keer verplanten of je moet de rijen uitdunnen, omdat het gewas anders te dicht op elkaar komt te staan en niet tot volwassen planten kan uitgroeien. Op de achterkant van je zakjes zaad zul je daarover ook informatie kunnen vinden. Van belang is de fase waarin het moet gebeuren. Het plantje dat je uitplant moet niet te kwetsbaar zijn, maar soms is het ook niet goed om te laat uit te planten omdat de plant dan sneller de neiging heeft om zaad te vormen (bijvoorbeeld bij andijvie). Voor het plantje is verplanten een ´trauma´ zoals dat dan heet en dus worden ´overlevingsstrategieën´ ontwikkeld: overleven en dus zaad vormen…

Wat eerder gezegd werd bij de wisselteelt moet ook hier even weer worden genoemd: vergeet niet je wisselteelt. Zaai dus ook je kool niet uit op een ander gedeelte dan je kolenveldje van dat jaar – soms is het namelijk erg verleidelijk dat nog even snel ergens anders te doen. Wees hierin streng voor jezelf, het is het behoud van je tuin in de komende jaren.

Oogsten
Van sommige gewassen kun je enkele weken na het zaaien al oogsten. Vooral bladgroenten zoals spinazie, pluk- of snijsla en snijbiet kunnen heel snel worden geoogst. Het is elk jaar weer een feest om je eerste voorjaarsgroente te kunnen oogsten. In de loop van de jaren kun je je teeltplan ook gaan afstemmen op een gevarieerde oogst gedurende het hele siezoen. Zo zou je wekelijks een beetje spinazie kunnen zaaien en een paar slaplantjes kunnen uitplanten. Je hebt dan altijd weer nieuwe, verse groente en je houdt het gevarieerd in de keuken.

De piek van je te oogsten groenten ligt in de maanden juli en augustus. Wees je daar van te voren goed bewust van, het zijn namelijk ook je vakantiemaanden. Het is zonde als je een half jaar druk in de weer bent geweest in je tuin en dan 3 weken in Frankrijk te zitten terwijl de oogst van je meeste gewassen ligt te verkommeren in je tuin. Probeer te plannen met zaaien en uitplanten en schakel eventueel familie en vrienden in om de groente die klaar is te oogsten.

In principe kun je een heel jaar van je eigen tuin eten. Om te voorkomen dat je niet de hele winter alleen maar kool en ingemaakte bonen hoeft te eten zul je gewassen moeten gaan telen die vroeg te zaaien en te oogsten zijn (voor meteen na de winter) en gewassen die nog lang groen blijven en zo mogelijk ook winterhard zijn (dan kunnen ze vorst hebben). En er zijn meer gewassen dan alleen maar kool en prei die je in de winter kunt overhouden op je tuin. Kijk daarvoor in de literatuur of bezoek eens de site van De Nieuwe Akker. Ook een koude bak (dat is een bak met een glasplaat er op) of een kas kunnen je helpen een langer teeltseizoen te creëren. Je hebt het dan wel over tuinieren voor gevorderden.

Compost en mulchen
In de loop van een heel groeiseizoen komt er veel groen afval vrij. Onkruid, blad van groente die je wegsnijdt, overtollig plantgoed en noem maar op. Ook andere delen van je tuin geven veel afval: gemaaid gras, blad, snoeiafval en onkruid. Je zou dicht bij je tuin een composthoop kunnen aanleggen of een speciale compostcontainer kunnen kopen. Goede compost is goud waard voor je tuin. Het stimuleert het bodemleven en je zorgt ervoor dat er niets verloren gaat in je tuin en op je erf. En dat is bij uitstek een zelfvoorzieningsgedachte. Elders op deze site vind je informatie over het maken van goede compost.

In je tuin kun je de compost goed gebruiken. Compost gebruik je vooral op je grond. Tussen je gewassen kun je een dikke laag (minimaal 5 cm) compost, nadat je die grond eerst goed hebt gewied of geschoffeld (zie boven). De grond blijft vochtig en veel organisch leven krijgt er een enorme stimulans van. Toch moet je je daarover eerst wel even goed laten informeren. Er zijn gewassen die daardoor juist gevoeliger worden voor schimmelziektes. Zelf heb ik hele goede ervaringen met het mulchen van de kolen – van de koolvlieg zul je dan geen last meer hebben zonder ook maar een druppel gif te gebruiken. Elders kun je meer lezen over andere biologische manieren van ziektebestrijding en -voorkoming

Je tuin in de winter: groenbemesting
Dan zit je eerste tuinjaar er op. De winter komt er aan. Je hebt nog enkele winterharde groenten op je tuin staan. Het is tijd om de balans op te maken over je eerste jaar: wat ging er goed, wat viel er tegen. Je kunt plannen gaan maken voor je volgende seizoen.

Om de druk van onkruid te verlagen in je volgende seizoen en tegelijk je grond goed te verzorgen zou je in het najaar groenbemesters kunnen zaaien. Dat zijn gewassen die de grond bedekt houden in de winter en daarmee het bodemleven beschermen. Maar ze houden ook veel voedingstoffen en mineralen vast die anders dreigen uit te spoelen tijdens het natte najaar. Bij zaadhandelaars kan je verschillende soorten groenbemesters vinden en informatie over welke groenbemester bij jouw tuin past. In het voorjaar spit je de groenbemester onder. Dat is wel belangrijk, want als je het zou wieden en weggooien onttrek je die voedingsstoffen alsnog aan je tuin.

Uitgestippeld Webdesign